Het verlaten lichaam
Een pleidooi voor een esthetiek van aanwezigheid
Er zijn vele manieren om een lichaam te verlaten. Zelden gebeurt het in één moment, juist vaker door kleine verschuivingen — een adem die stokt en aan voorbij wordt gegaan, een blik die zich afwendt en niet wordt herkend, een huid waar niet langer naar wordt geluisterd.
De trillingen onder deze verschuivingen reiken vaak dieper, geworteld in ervaringen die zich door de jaren heen in ons hebben vastgezet en ons onmerkbaar verder van onszelf hebben verwijderd.
Het startpunt van mijn eigen verlating heeft zich al lang geleden voltrokken. Ergens tussen de armen van mijn moeder en die van een ander verloor ik het vanzelfsprekende gevoel van mijn eigen lichamelijke nabijheid. Want een kind denkt niet in dossiers — het kent slechts huid, geur, en het ritme van het lichaam van de moeder dat tegelijkertijd nog als dat van haar wordt beschouwd. Doordat mijn moederslichaam verdween, leerde mijn eigen lichaam op radicale wijze wat afstand houden is.
Goed functioneren werd daarom mijn taal van liefde. En ik leerde in de jaren erna hoe ik mijn lichaam hieraan bruikbaar kon maken: door beheerst, beleefd, en efficiënt te zijn. Het bleken eigenschappen te zijn die de samenleving waardeerde. En laat dit nu precies ook de waardering zijn die ik zelf opzocht – als mijn manier om te mogen bestaan.
Op mijn negende stapte ik de dansacademie binnen. Dans was altijd mijn toevlucht naar vrijheid geweest, maar ik stapte binnen in een wereld van orde en precisie. Een wereld waarin lichamen werden gemeten aan een ideaal dat ogenschijnlijk neutraal was, maar een werkelijkheid bleek te zijn die sporen droeg van een patriarchale en neokoloniale logica: vorm boven gevoel, controle boven overgave, wit boven kleur. Wat vrijheid leek, was vaak een vorm van gehoorzaamheid.
Opnieuw werd het mantra; wie zich aanpast, wordt geprezen; wie voelt, wordt gecorrigeerd. En ik begreep toen nog niet dat de danswereld een afspiegeling was van de samenleving zelf — een neoliberaal en postkoloniaal toneel waarin beheersing, discipline en productiviteit van mijn lichaam niet alleen de hoogste vormen van schoonheid werden, maar ook die van de deugd.
Later, aan de universiteit, herkende ik diezelfde tucht — slechts gesproken in een andere taal. Niet termen van beheersing maar die van productiviteit hadden daar de overhand. En in het werkende leven werd dat niet veel minder.
Geleidelijk viel mij ook iets anders op. Terwijl ik langzaamaan doorkreeg wat ik in mijn eigen lichaam aan uitputting en vervreemding ervoer, zag ik dit inmiddels ook in talloze andere lichamen om mij heen gebeuren. Waar ik lang had gedacht dat mijn vertrek iets persoonlijks was, bleek het een grammatica te zijn van onze tijd.
We leven in een cultuur die snelheid eert, maar niet de adem die eraan voorafgaat. Waar productiviteit hoger wordt gewaardeerd dan aanwezigheid, en performativiteit komt voor authenticiteit. We worden getraind in afstand, niet in nabijheid. Waar denken nog steeds tot de hoogste vorm van orde wordt verklaard. Terwijl we enerzijds functioneren, verliezen we anderzijds onderweg de plek waar we eigenlijk zouden moeten wonen; ons lichaam.
Zo is er bijna onopgemerkt een vertrek ontstaan, wat ons langzaam naar een bestemming van ons publieke domein heeft gebracht die lange tijd niemand duidelijk voor ogen had: die van collectieve ontlichaming.
Deze ontlichaming is geen plotselinge breuk, maar een langzaam collectief leerproces geweest. En dat is logisch; volgens de filosoof Michael Foucault is macht zelden luidruchtig: ze nestelt zich in het lichaam, in onze gebaren, in de manier waarop we bewegen, spreken, werken. We leren onszelf te vormen naar de norm —tot we haar zélf voortzetten, zonder het te beseffen. Koreaans-Duits filosoof Byung-Chul Han beschrijft deze norm als de zelf-uitputting binnen onze prestatiemaatschappij. We putten onszelf uit door ‘vrijwillige zelfoptimalisatie’. We zijn werkgever én werknemer van ons eigen lichaam geworden, waarin zelfzorg een taak is, rust een project, vrijheid een KPI, en echte aanwezigheid een luxe. In die logica wordt het lichaam gereduceerd tot instrument van productie — en alles wat niet efficiënt is, geldt als defect.
Voor vrouwen komt hier nog een schep bovenop. Denkers zoals Susan Bordo en Marion Woodman schrijven over hoe vrouwen geleerd hebben hun lichaam — en daarmee hun vrouwelijke principes — te verlaten om te kunnen voldoen aan maatschappelijke verwachtingen van controle, succes en perfectie. Roxane van Iperen schetst hoe we, in een cultuur die autonomie en zelfredzaamheid als hoogste waarden viert, gevangenen zijn geworden van ons eigen streven. We perfectioneren daarbij glimlachend het systeem dat ons uitput.
En dit is ironisch; terwijl we aan de ene kant als westerse vrouwen gevochten hebben voor gelijkheid (waarvoor hulde), zijn we ons tegelijkertijd gaan voegen naar een systeem dat ons nog steeds geweld aandoet. Één die van ons vraagt om functioneel te zijn, in plaats van voelend, en eist om ons lijf te dirigeren in plaats van te luisteren naar haar muziek. De afstand tot ons lichaam is de prijs die we hebben betaald voor een plek binnen deze maatschappelijke norm. En met deze afstand zijn we ook haar grenzen verloren. Dit toont zich vanzelf; meer dan ooit zitten vrouwen in Nederland met een burn-out thuis.
Schrijver bell hooks wees er al op hoe dit feminisme zich baseert op een ervaring die niet universeel vrouwelijk is, maar juist de spiegel vormt van de witte patriarchale logica zelf. Ook filosoof en schrijver Sara Ahmed benadrukt dat het ideaal van deze “perfecte vrouw” gevormd is naar de blik van een wereld die haar niet echt ziet.
Ikzelf zou daar nog aan willen toevoegen dat gelijkheid iets anders is dan gelijkwaardigheid — en dat volgens mij juist dáár, in dat onderscheid, de ware betekenis van inclusie en diversiteit begint.
Er is een soort vrouw die vrij radicaal onder deze structuur van ontlichaming gebukt gaat — terwijl zij, paradoxaal genoeg, op het eerste gezicht juist lijkt te passen binnen het systeem; de getraumatiseerde én/of fijngevoelige vrouw.
Voor iemand wiens lichaam trauma draagt, en wiens zenuwen te fijn zijn afgestemd op de wereld, is ons maatschappelijk systeem dodelijk efficiënt. Dit komt omdat haar gevoegde lichaam aanvankelijk juist te goed werkte binnen de maatschappelijk norm: zij heeft al vroeg geleerd dat het verlaten van haar lichaam een voorwaarde is om te kunnen overleven. En door die nauwe afstemming met de omgeving functioneert zij hyper-efficiënt, voorbeeldig zou je kunnen zeggen. Maar uiteindelijk, als ze uit deze overlevingsstand komt, voelt ze dat het niet meer past, en valt niet alleen zijzelf maar ook de verbinding met de samenleving uit elkaar.
Ikzelf val ook binnen deze categorie. Wat ik persoonlijk heb omgevormd om erbij te kunnen horen, om te kunnen functioneren, paste decennialang perfect in het korset van deze hegemonie. Totdat het niet meer ging — omdat wat ooit bescherming bood, langzaam veranderde in een gevangenis. De lichamelijke zelfvervreemding werd ondragelijk. Fysiek, mentaal en emotioneel ging ik hieraan onderdoor. Totdat ik op een dag besefte: je kunt een vierkant wel door een driehoek persen, maar niet zonder dat er grote brokstukken ontstaan. Want om de ander niet te verlaten, had ik dat met mezelf – met mijn eigen gevoelde lichaam- gedaan.
Hypersensitiviteit an sich botst sowieso al met het industriële ritme van onze tijd. Waar de samenleving snelheid als kracht ziet, ervaren gevoelige lichamen dit als geweld. De hypersensitiviteit maakt dat nog sneller zichtbaarder. Een zenuwstelsel dat te snel reageert, een huid die te dun lijkt, een geest die elk detail registreert. In een wereld die vraagt om verdoving is dat geen voordeel. De hypergevoelige mens leeft in voortdurende frictie met een cultuur die zich afsluit voor gevoelde werkelijkheid.
Want wat buitengewoon gevoelig is, wordt al snel gediagnosticeerd als disfunctioneel. Maar misschien ligt de vraag anders: niet waarom gevoelige mensen niet functioneren in deze wereld, maar waarom deze wereld zo slecht omgaat met wat gevoelig is? Want een wereld die permanent wil versnellen, heeft weinig geduld met lichamen die traag, zoekend of gevoelig zijn. En vaak is het handelen naar die behoefte van vertraging niet eens mogelijk voor sommige vrouwen. Zoals Roxanne van Ieperen zo mooi uitlegt; de yoga-moeders zijn een symptoom van hoe de geprivilegieerden ruimte en tijd hebben, om te ontkomen aan een moreel uitgeput systeem. En daar ben ik het mee eens. Want de wijze waarop yoga nu vaak in het westen wordt ingezet, is vaak als een tool om onszelf bij elkaar te kunnen houden -niet om haar fundamenten wezenlijk onderdeel te laten zijn van ons bestaan.
Dus terwijl we spreken van efficiëntie, van professionaliteit, van groei en normerende schoonheid, leren we in wezen één ding: hoe we moeten leren verdwijnen zonder dat iemand het merkt. Zo heeft het principe van ontlichaming zich diep genesteld in ons collectieve weefsel.
De oorsprong van dit mechanisme ligt echter veel dieper dan deze huidige tijd. De scheiding tussen geest en lichaam is geen toevallig gevolg van moderniteit; ze is de ruggengraat van het westerse denken zelf. Eeuwenlang heeft het patriarchale, neo-liberale en neo-koloniale wereldbeeld het lichaam onderworpen aan de geest, het gevoelde leven aan de rationele werkelijkheid.
Zo ontstond een wereldorde die afstand en controle tot deugd verhief, en toejuichte hoe het lichaam gezien en behandeld werd als object. Deze logica heeft lang voortgeleefd in de meetcultuur van werk en welzijn, in technologie die voelen omzet in data. We weten alles van onze hartslag, maar bijna niets van ons hart. Zo verliezen we de taal van het lichaam zelf — en daarmee de mogelijkheid tot bewonen.
En waar het lichaam wordt verlaten, moet identiteit zich elders tonen — in gedrag, in imago, in performance. Die herhaling is wat de filosoof Judith Butler performativiteit noemde: identiteit die voortkomt uit het steeds opnieuw uitvoeren van sociale verwachtingen. Een identiteit die niet geworteld is in belichaming, maar in gedrag; niet in zijn, maar in doen. In die zin is de performance-identiteit het kind van de ontlichaming — een identiteit die zich juist vormt in de afwezigheid van het lijf.
Wat wij daarentegen nodig hebben, wat wij als samenleving nodig hebben, is dat wij ons lichaam weer gaan bewonen. Wij dienen in het lichaam aanwezig durven te zijn, en onszelf te zijn, wil de kwaliteit van het leven geleefd kunnen worden.
Wat dat betreft is het niet anders dan het bewonen van je (t)huis — de plek waar bestaan vorm krijgt. En daarin zit ook logica. Want wanneer je huis te lang onbewoond blijft, en langzaamaan wordt verwaarloosd, komt er stof op de vensterbanken, komen er scheuren in de muren, en in het slechtste geval wordt dat eigen huis gekraakt. Wat ooit een veilige binnenruimte was, wordt opeens kwetsbaar voor binnendringers: verwachtingen, verhalen, tempo’s die van de ander zijn.
Thuiskomen in zo’n wereld vraagt moed. Want wie dit herkent, weet ook hoe moeilijk de weg terug naar vrijheid kan zijn. Terugkeren naar het lichaam betekent immers ook terugkeren naar wat onopgelost bleef — persoonlijk én collectief: naar de plekken waar pijn, schaamte of schuld zich hebben vastgezet, en waar de kwetsbare beweging van het lichaam in de wereld ooit stokte.
Dan krijgt de hyper-efficiënte norm pas echt een fysieke dimensie. Want zodra we ons lichaam opnieuw betrekken, herinnert het zich wat het hoofd — en deze maatschappij — liever vergeet: dat ons weefsel, ons zenuwstelsel, de reflex van bevriezing heeft bewaard. Maar juist daar, in die terugkeer — in het ontdooien van wat ooit gestold was — opent zich de mogelijkheid van een andere vorm van schoonheid. Een schoonheid die zich niet laat meten, maar juist laat ervaren. Niet de esthetiek van perfectie of efficiëntie, maar die van aanwezigheid en ontvankelijkheid. Zij vraagt om relatie en verbinding, niet om beheersing. Ze is poreus, ritmisch, levend, en dus vol levensenergie en potentie. Esthetiek biedt een herstelplaats voor onze menselijkheid, zoals de filosoof Friedrich Schiller ons hier al eeuwen geleden op wees.
Dan blijkt ook de frictie van deze hypergevoelige en getraumatiseerde vrouw niet enkel een last te zijn – maar juist ook een vorm van kennis. Je kan haar zien als de kolibrie in de koolmijn; gewaar van naderend gevaar.
En wellicht is ze ook wel voorloper van de tijdsgeest. Want wat ooit een kwetsbaarheid leek, het niet mee kunnen komen met het geheel, blijkt in wezen een zintuig — een antenne voor wat leeft.
Zij functioneert misschien niet in het systeem, maar voelt wel waar het schuurt. En scheurt. De gevoeligheid die niet past in het tempo van de tijd, onthult wat ongezond is aan dat tempo zelf. Misschien is dat waarom de hypergevoelige, de trage, de vermoeide mens zo ontregelend werkt binnen onze maatschappij: omdat zij herinnert aan dat wat verloren is gegaan. Aan de mogelijkheid van een leven dat niet om efficiëntie en productie draait, maar om bewonen. Aan het feit dat het uiteindelijk niet gaat om performance, maar om eigenheid. Aanwezig kunnen blijven — soms broos, soms onhandig — is daarmee een stille vorm van kritiek om het pantser van onze performance-identiteit te doen laten smelten. Want met het afbrokkelen van deze hardheid, kan dit systeem ook simpelweg niet meer bestaan.
Inmiddels heb ik geleerd dat thuiskomen geen eindpunt is, maar een oefening in kwetsbaarheid: een overgave aan het ritme van een lichaam dat weigert zich te verharden. Het beweegt altijd — soms zacht, soms confronterend, maar altijd levend. In een wereld die verdoving als deugd verkoopt, wordt je lichaam opnieuw bewonen een keuze voor vrijheid. Bij je adem blijven wordt dan een kleine revolutie: een weigering om nog langer van jezelf gescheiden te zijn. Want in een tijd die lichamen tot instrument reduceert, is werkelijk in je lichaam wonen een daad van verzet. Ze herstelt wat ooit verloren ging — om aanwezig en vrij te kunnen zijn.
Of, zoals Audre Lorde schreef: “I feel, therefore I can be free.”
Belichaming verwordt daarmee ook een morele praktijk: een keuze voor aandacht, voor traagheid, voor menselijkheid. Ze herstelt de continuïteit tussen binnen en buiten, tussen voelen, denken en handelen, tussen mens en wereld. Ze is geen lifestyle, geen vorm van wellness zoals dit vaak wordt gezien of geïnterpreteerd, maar een herovering van betekenis.
Daarom maak ik elke dag nu de keuze om te willen voelen, te ademen, ook wanneer de wereld iets anders verlangt. En natuurlijk zijn er dagen waarop ik opnieuw vertrek. Dit is ook gezond, want je kunt niet altijd aanwezig en dus in verbinding met jezelf én de wereld zijn. Maar het verschil met vroeger is dat ik de weg terug ken naar huis.
Geregeld wanneer ik in mijn lichaam terugkeer, fluister ik: ‘dit keer blijf ik’. En heel soms, op een uitademing, fluistert mijn lichaam zachtjes terug; ‘dank je wel…wat heb ik hier lang op gewacht’.




