‘ Een ode aan de Tango in Buenos Aires – Een plek waar even alles samen mocht vallen’
Na een paar weken in Buenos Aires te zijn geweest en mezelf volledig te hebben ondergedompeld in de Argentijnse tango, ben ik weer terug in Amsterdam. Ik heb bij terugkomst gehuild — hartverscheurend gehuild — alsof ik gescheiden werd van een geliefde.
En misschien is dat ook wat Buenos Aires voor me was. Niet alleen een stad met mooie herinneringen die ik weer moest achterlaten, niet alleen het dansen zelf, maar een staat van Zijn. Een staat waarin ik na een paar moeilijke jaren voor het eerst weer echt geluk voelde. Een manier van bestaan waarin iets in mij zich volledig kon openen — zonder haast, zonder verdediging of overleving, en daarmee ook zonder het aanraken van trauma-delen.
In de afgelopen weken kon ik in de tango mijn onvoorwaardelijkheid kwijt. In systemische termen kwamen mijn eigen inhoud en structuur samen. Het was een plek waar mijn ziel en persoonlijkheid een paar weken lang dicht bij elkaar konden zijn. En daarvoor was overgave nodig, vooral om het gat dat de afgelopen decennia tussen die twee was ontstaan, weer te kunnen dichten.
Overgave als idee kon ik vroeger wel volgen, maar als ervaring bleef het lange tijd leeg. Want hoe beweeg je met een ander zonder jezelf kwijt te raken? Hoe laat je je dragen zonder zelf te verdwijnen? Gaandeweg begon ik te voelen dat overgave niet gaat over jezelf opgeven, maar over jezelf meenemen — volledig meenemen — in de relatie tot jezelf, de ander en de wereld.
In Buenos Aires werd dat alles uitvergroot: de intensiteit, de eindeloze stroom van muziek en beweging — een soort georganiseerde roekeloosheid die je meesleept en tegelijk iets blootlegt. Het meeste dansen speelt zich af in de nacht, een tijd waarin de wereld zachter wordt en tegelijkertijd eerlijker, waarin maskers minder houvast hebben en iets van de onderstroom zichtbaarder wordt — alsof de nacht laat zien wat overdag verborgen blijft. Ik had dit tempo geen maanden volgehouden, maar dat was ook niet de bedoeling. Juist die intensiteit maakte voelbaar wat er werkelijk speelde.
Er gebeurde ook iets wat ik niet had verwacht, en dat tegelijk helder landde. Bijna driekwart van de mensen met wie ik danste, vroegen me: “Kom je hier vandaan?” Ze zeiden dat mijn dans eruitzag — en voelde — als die van een Argentijnse tanguera. La porteña — het woord dat iemand gebruikte — een verwijzing naar afkomst én naar een bepaalde manier van bewegen, specifiek verbonden aan Buenos Aires.
Wat me raakte, was niet alleen het compliment — hoewel mijn ego dat natuurlijk ook prettig vond. Ik dans al ruim tien jaar, en geef inmiddels ook een paar jaar les, dus deze erkenning voelde als een kleine bekroning. Tevens weet ik dat ik qua uiterlijk en temperament soms kan doorgaan voor een vrouw van Zuid-Amerikaanse afkomst, ook al ligt dat niet in mijn DNA. Maar wat me werkelijk raakte, was iets anders: het gevoel van inclusie. Dat ik opging in de menigte. Dat ik niet onmiddellijk werd gelezen als “de ander”. Dat mijn verschijning in de dans eerst werd gezien — en pas daarna werd geluisterd naar mijn taal of gekeken naar mijn uiterlijk. Natuurlijk werd, zodra ik sprak, duidelijk dat ik geen local was. Maar dat kwam later. Niet als eerste beweging.
Ergens voelde ik ook dat dit gevoel van toebehoren verbonden is met de oorsprong van de tango en de stad zelf — een oorsprong die resoneert met mijn eigen geschiedenis en systeem. Tango is geboren uit migratie: uit mensen die hun thuisland verlieten en een nieuwe plek moesten vinden om te bestaan, uit verlangen, verlies en ontworteling, en uit de noodzaak om daarmee te leven.
Buenos Aires is een stad van vermenging en verdringing, gebouwd op het zoeken naar identiteit — iets wat je vandaag nog voelt in haar straten, haar melancholie, haar dans. Wat daaruit ontstond, was geen oplossing, maar een ruimte om te kunnen zijn: een derde ruimte. Een plek waar mensen elkaar konden ontmoeten zonder hun verleden te hoeven ontkennen, waar gemis en aanwezigheid naast elkaar konden bestaan.
Het is dus niet ondanks de breuk, maar juist dankzij de breuk dat tango kon ontstaan. Misschien is dat waarom ik me daar thuis voelde. Niet omdat ik ergens volledig bij hoorde, maar omdat belonging daar begint bij een versplinterde oorsprong — die, door volle aanwezigheid, en dus in relatie met jezelf en de ander, opnieuw kan worden geïntegreerd.
Misschien is dat wel waarom tango me zo diep raakt. Want in de kern gaat het niet alleen over dans, maar over ontmoeting en relatie. Over de ontmoeting met jezelf via de ander, en de ontmoeting vanuit jezelf met de ander. Over twee lichamen die elkaar raken zonder elkaar te hoeven bezitten, over een nabijheid die intens kan zijn zonder te hoeven blijven.
En toch weet ik dat het ook iets in mij raakt dat blijft doorzingen. Een oud, pre-verbaal verlangen: een herinnering aan symbiose, aan samenvallen, aan thuiskomen in een ander lichaam. Daarom vraag ik me soms af of tango een vervanging is — een herhaling van iets wat ooit ontbrak. Een manier om dichtbij mijn moeder te komen, die ik in dit leven nooit bewust heb gekend, maar die in mijn verlangen altijd dichtbij is geweest. Een poging om alsnog te ervaren wat niet volledig geleefd kon worden. Iets wat soms ook terugkomt in nachtmerries, wanneer in de dans relationele onveiligheid wordt aangeraakt.
En ja — daar ligt ook een spanning. Tussen deze liefde voor tango en de liefde in mijn dagelijks leven. Tussen de symbiose die tango kan oproepen en de ruimte die een relatie vraagt (los van de mensen met wie ik dans, waar ik in het verleden -zoals menig tango danser – ook weleens over in verwarring ben geraakt 😉).
Maar misschien gaat het niet om kiezen. Misschien gaat het om leren bewegen tussen die werelden, zonder de één te gebruiken om de ander op te vullen. Als ik mijn hoofd laat rusten en luister naar mijn hart, voel ik dat tango misschien geen vervanging is. Het is juist een plek waar dat verlangen in veiligheid kan bewegen, zonder zich vast te zetten in liefdesrelaties. Waar intensiteit niet destructief wordt, maar gedragen wordt door muziek, ritme en wederzijdse afstemming.
Wat ik ook begon te voelen, is dat mijn lichaam niet het eindpunt is van mijn ervaring, maar het begin. Dat mijn ziel groter is dan dit lichaam — alsof dit lichaam een doorgang is, een plek waar ontmoetingen plaatsvinden die niet volledig in taal te vangen zijn.
In de tango wordt dat tastbaar: dat er iets ontstaat tussen mensen wat niet alleen van hen is. Een veld, een moment van aanwezigheid dat niet vast te houden is. Heel precies menselijk — en misschien juist daarom een vorm van mystiek.
Ook de gemeenschap vormde mijn ervaring. Dansers van hetzelfde niveau bewegen vaak in een web van relaties, geschiedenis en vertrouwen. Om daar als buitenstaander tussen te komen, moet je er als het ware in vallen. Anders dan eerdere keren voelde dat niet als afwijzing wanneer iemand mij niet toeliet, maar als een herinnering dat intimiteit context heeft. Dat verbinding groeit in tijd, herhaling en herkenning. Sociale tango betekent voor mij dan ook niet dat je met iedereen danst, net zoals je in het leven niet met iedereen verbonden bent. En misschien zit daarin juist de schoonheid: dat belonging niet betekent dat je overal bij hoort, maar dat je ergens werkelijk kunt zijn.
De laatste dagen brachten alles samen. De nachten werden intenser, mijn slaap korter en tegelijk zachter. En toen was daar die ene dans — met iemand die je, als je geluk hebt, op het juiste moment ontmoet. Een moment waarin alles samenvalt, waarin techniek vervloeit en voelen en begrijpen -net zoals tijd en ruimte- één worden.
Misschien is dat waarom ik me zo vervuld voelde toen ik vertrok. Omdat mijn hoofd niet uit hoefde, zoals ik lang had gedacht — omdat ik mocht begrijpen én voelen. Tango is geen ontsnapping aan het denken. Het is een andere vorm van weten.
Wat me misschien nog wel het meest verraste, is dat ik wekenlang geen behoefte had om te schrijven. Alsof alles wat normaal via woorden gaat, nu direct via mijn lichaam werd geleefd. Alsof taal even niet nodig was.
Integratie vraagt soms om stilte.
En nu ben ik terug. Schrijvend, en straks ook weer dansend. Nog even afwachtend tot ik hier weer volledig ben aangekomen. Dat heeft tijd nodig, want iets in mij is nog daar. Mijn lichaam draagt nog het ritme van die stad. Mijn systeem herinnert zich de cadans, de nabijheid, de ruimte — en zelfs het soms oorverdovende lawaai.
Het maakt mij ook steeds iets duidelijker: misschien ligt mijn thuis niet op één plek, maar in de beweging zelf. Want één ding weet ik zeker: zolang mijn lichaam het toelaat, zal mijn ziel erop blijven aansturen dat tango-dans een deel van mijn leven blijft. Niet alleen als (ge)liefde, maar als een plek waar ik telkens opnieuw thuiskom.
En die gedachte geeft me het vertrouwen dat het me ook hier weer zal lukken om in Nederland volledig aanwezig te zijn.




